op weg naar Dushanbe

De weg naar Muborak was bij wijlen in zeer goede staat en met een beetje rugwind ging het fietsen snel vooruit.  In Muborak meldden we ons aan in Hotel Prestige, maar wij konden er niet slapen omdat ze ons niet konden registreren.  We gingen dan maar naar de politie en die bood ons aan te gaan slapen boven het restaurant aan de overzijde.  ’s Anderendaags was het zondag en over een 50 km lange rechte weg, door een saai  landschap, hobbelden we tussen de putten naar Koson.  Nadien werd het landschap iets fraaier met veel katoenvelden en –plukkers en een aantal kamelen.  We sliepen in Qarshi waar helemaal niets te zien was, maar waar we wel in 2 hotels geweigerd werden omdat we geen Oezbeken zijn.  Vanaf Qarshi  fietsten we terug door de desert van Zuid-Oezbekistan.  Net toen het ging vervelen kwamen we door de stad Ghuzor en even verder veranderde het landschap volledig.  Plots werd het stevig klimmen en fietsten we tussen woestijnbergen met mooie glooiingen.  De volgende drie dagen waren super zwaar maar ook betoverend mooi.  In Dehqonobod was nergens een overnachtingsmogelijkheid te bespeuren, maar in Karashina vonden we een leuk  guesthouse nadat men ons geweigerd had in een motel.   De bergen werden steeds hoger, de landschappen des te prachtiger.  Regelmatig was het asfalt opgebroken voor wegenwerken en fietsten we vaak honderden meters over grind- en zandstroken.   Opvallend veel  loslopende runderen, schapen, geiten en wilde ezels.  Langs de weg tientallen standjes met appelen keurig gestapeld in emmertjes, tomaten, waterflessen gestapeld in een piramidevorm en witte zoute bolletjes gemaakt van kruidige platte kaas gedroogd in de zon. In Darband vonden we alweer geen overnachting en reden nog enkele kms verder bergopwaarts.  We wilden ons tentje plaatsen op het binnenhof van een boerderijtje, maar de boer zei dat er die nacht héél véél wind zou zijn en hij betrouwde het niet.  Hij bood ons slaapgelegenheid aan in de oude woning van zijn overleden moeder dat hij nu gebruikte om zijn oogstappelen te sorteren. ’s Anderendaags wou hij zelfs geen symbolische vergoeding voor onze overnachting, maar hij wou wel voor veel geld één van onze handige fietspompjes kopen, iets wat we niet kunnen missen.  Zijn ontgoocheling was op zijn gezicht te lezen.  De eerste kms waren supersteil : een heuveltje van amper 700 à 800 m aan méér dan 15 %, dan na een afdaling gematigd klimmen naar 1350 m … met adembenemende landschappen.  Na 90 km reden we naar een hotel in Shochi, maar weer werd ons  de toegang geweigerd omdat we vreemdelingen waren.  Kamperen was geen optie vandaag omdat de streek bezaaid ligt met grote katoenvelden.  Dan maar naar de volgende stad … Denov, waar we net na het invallen van de duisternis in het superdrukke centrum terechtkwamen tussen auto’s zonder verlichting en weer veel putten in het wegdek.   We vonden snel een hotelletje en zie de deuren werden reeds geopend nog voor we iets gevraagd hadden.  Oef, na een marathonrit van 113 km en méér dan 1000 hoogtemeters kunnen we ons eindelijk nog eens deftig wassen en uitrusten van een zware en vermoeiende dag.  Nog 40 km en we staan op de grens van Tajikistan !!! ’s Anderendaags ontmoetten we na 12 km reeds het Belgisch-Frans koppel Etienne & Marion op terugkeer uit Singapore.  Aan de Oezbeekse grens was het urenlang wachten en werden de fietsen en de bagage grondig gecontroleerd.  Na 3 ½ uur mochten we naar de Tajiekse Douane rijden, waar we op minder dan een ½ uurtje buiten waren en reden naar onze 1° overnachtingsplaats in Turzunzoda.  Toen we ’s anderendaags wegfietsten waren alle lanen en straten verlaten, hing de stad vol met Tadjiekse vlaggen en levensgrote portretten van de president en stonden er om de 50 m langs weerskanten van de hoofdlaan soldaten … de President kwam van een staatsbezoek in Oezbekistan naar de stad Turzunzoda.  Te absurd om het te vertellen, maar duizenden, tienduizenden vlaggen met de nationale kleuren langs de weg, soldaten en politie alle 100 m  en dat duurde zowat tot in het Centrum van Dushanbe.  Het was ongeveer 15 uur en dus hadden we nog de tijd om ons GBAO-permit voor de Pamir aan te vragen.  Gelukkig moesten we onze aanvraag niet zelf invullen want alle documenten waren in het Russisch.  Net voor sluitingstijd konden we in de Ammoniat-Bank onze kosten voor de Pamir gaan betalen (20 somoni of 4 $ p.p.) , en ook hier vulde een vriendelijke bankbediende het uitsluitend  Russisch documentje voor ons in.  Na registratie terug de fiets op naar het Migratiekantoor van de Politie (OVIR) om alle documenten af te geven en een dag later mochten onze “permit”, een klein onnozel papiertje in het Tajieks, afhalen.  Oef, nu hebben we 2 dagen de tijd om uit te rusten en onze darmen te ontwennen van het vettige bouillivlees dat we alle dagen in Oezbekistan voorgeschoteld kregen.  In het Green House Hostel namen  we de tijd om nog eens lekker zelf te koken.

Dit bericht is geplaatst in Algemeen, dagboek, Indiareis 2015. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *